13
Onlangs nam ik Jeremiah mee naar het huis waar ik als klein meisje ben opgegroeid. Terwijl we voor de deur stonden, vroeg hij nieuwsgierig: “Heb jij hier met jouw papa en mama gewoond, mama?” Ik legde hem uit dat ik mijn vader verloor toen ik tien jaar oud was en dat ik tot mijn 15e in dit huis heb gewoond met mijn moeder.
Jeremiah keek me bedachtzaam aan en vroeg toen:
“Maar wie is jouw moeder dan, mama? Woont zij daar nog?”.
Het was duidelijk dat hij even moest nadenken over hoe alles in elkaar zat. “Mijn moeder is toch jouw oma?” legde ik uit. “Zij woont nu in een ander huis.” Maar ik zag aan zijn gezicht dat hij nog niet helemaal klaar was met deze gedachte. Na een korte stilte vroeg hij:
“Maar wie ben jij dan, mama?”
Op dat moment voelde ik me alsof ik plotseling een vreemde uit een ander universum was, die per ongeluk het plekje van zijn moeder had ingenomen. Beetje verward door zijn vraag, antwoordde ik: “Ik ben toch jouw moeder!”
Hij rolde met zijn ogen, alsof ik het niet begreep.
“Jaha, dat weet ik, mama,” zei hij met een zucht, “maar ben jij dan een kindje van oma?”
“Ja, Jeremiah, ik ben ook een kind van oma. Oma is mijn moeder.”
Hij keek me ongelovig aan, lachte en schudde zijn hoofd. “Neehee, dat kan helemaal niet, mama! Jij bent toch niet net zo klein als ik?!”
Op dat moment besefte ik dat in zijn ogen volwassenen niet hetzelfde kunnen zijn als kinderen. Hij denkt waarschijnlijk dat we allemaal tijdelijke mama’s en papa’s zijn, die je alleen hebt zolang je zo klein bent als hij.
